-Zie mijn rozemarijnstruiken wegkwijnen en ze krijgen nochtans genoeg water.
-O, zegt ze, de nieuwe buurvrouw, beter gezegd een teruggevonden vriendin, dat heeft daar niks mee te maken. Met grote ernst buigt ze zich over mijn armtierig groen, haar vingers naarstig wroetend tussen de toppen.
-Daar heb je ze!
Twee kevers toont ze me in haar geringde hand, van ver lijken het wel lieveheersbeestjes maar ze hebben een andere kleur en ze glanzen.
Het is een plaag, ze heeft ze ook en alle dagen onderzoekt ze haar rozemarijn.
Ik pluk nog snel een ongeschonden takje want zuinig ben ik er niet mee in de keuken.
Ontsteld bekijk ik de schade, ik had er met mijn neus nog nooit zo dicht opgezeten.
Mijn rozemarijn, mijn alle-seizoenen-groen, mijn aroma, opkikker, fris of droog; ik kan niet zonder.
Nee, maar, niet te geloven dat zo een mooi beestje zo destructief kan wezen, er is schade op elke tak.
Nog minder fraai is wat ik lees op internet; ...van 't zuiden overgekomen, geen natuurlijke vijanden, te vinden op thym, lavendel, eiafzet onderaan 't blad, larven na tien dagen die zich voeden met...
Ik zeg geen sorry meer als ik ze tussen zool en steen plet, ze zijn te talrijk en elders deponeren, zoals ik met spinnen doe, haalt niets uit, ze komen gewoon terug.
Met adviezen als 'leg een papier onder je struik en schudt...' moet ik eens lachen maar dagelijkse inspectie? Nee hoor.
Driemaal daags.



Geen opmerkingen:
Een reactie posten