Dat er na één dag een plant voor de helft door de slakken opgegeten was heeft me naar een tuincentra geleid, ik had het wel gehad met de slakken. Eierschelpen, stokjes, koffiegruis ten spijt, trop is teveel, de grove middelen dan maar: de spuuglelijke blauwe korrel.
De volgende dagen lag het vol schuimbekkende slakken, spijtig voor die beestjes maar mijn pompoenplantjes konden zich herpakken en hoe. Terzelfdertijd ontsproten twee 'andere' pompoenplaten uit de composthoop daar vlakbij, ik had er plots vier!
In een mum van tijd was heel het perk en pad vol blad, een onwaarschijnlijke bedrijvigheid, het groeien gebeurde terwijl ik erop stond te kijken. Zoiets als 'uit zijn voegen barsten'. Ik liet het zijn gang gaan, wist niet of ik die veelarmige octopussen moest intomen of niet. Elke dag wat nieuws, nog een rank, een bloem, een tentakel die zich aan god-weet-wat optrok. Het ging naar de haag, boven de haag, over de haag, tot ver bij de achterbuur.
Ik had de bloemen kunnen frituren maar ik zag ze liever in een vaas.
Doorheen de woestenij kon ik de pompoenen niet zien. Het pad moest ik noodgedwongen vrijmaken om naar de composthoop te kunnen, daarbij kwam een jonge pompoen bloot en trapte ik per ongeluk op zijn voedende stengel. Boos om mijn eigen onhandigheid maar gek genoeg is die blijven groeien.
Twee soorten had ik: ronde oranje pompoen met harde schil en aardsmaak en grote gele met zachte schil en een heerlijk aroma bij het opensnijden.
Veel Magnums gegeten om het zaaisel te kunnen onderscheiden







